Over de geschiedenis van de Valkenswaardse beiaard (7)
Evert Meijs
De klokken in de Nicolaastoren worden op drie manieren in trilling gebracht: door op en neer te zwaaien (ook luiden genaamd), door een klepel aan de binnenkant tegen de klok te laten komen en door een hamer aan de buitenkant op de klok te laten vallen. Elk half uur en elk heel uur valt een zware hamer aan de buitenkant tegen de wand van één zware klok; de Nicolaasklok. Dit om de tijd aan te geven. Elk half uur slaat de klok één keer. Op het hele uur slaat de klok het aantal uren van dat moment. Met behulp van een elektromotor wordt de hamer enigszins opgelicht om daarna tegen de klok te vallen. Dat gebeurt met één en dezelfde hamer tegen steeds dezelfde Nicolaas-klok.
Vier klokken van de eenenvijftig kunnen ook gebruikt worden om te luiden door een lange klepel die aan de binnenkant hangt. Werd vroeger de klok in beweging gebracht met behulp van een touw over een wiel, het luiden gaat in de Nicolaaskerk tegenwoordig met een elektromotor en loopt er over het wiel een soort fietsketting. De koster van de kerk kan kiezen om te luiden met één, twee, drie of vier klokken tegelijkertijd.
Als de beiaard met de hand bespeeld wordt, speelt de beiaardier op de stokken van het klavier, waardoor een klepel aan de binnenkant kort tegen de wand aan tikt. Hoe harder de beiaardier de stok aanslaat, hoe harder de klepel tegen de klok komt, waardoor de klank sterker wordt. Hierdoor kan meer nuance in de melodie gebracht worden. Let op: luidklokken kunnen op en neer zwaaien, maar beiaardklokken zitten muurvast aan een balk.
Als de beiaard automatisch speelt, wat elektrisch/pneumatisch gaat, worden alle klepels exact even sterk aangestuurd en ligt er dus veel minder gevoel in de melodie. Het verschil is zeer goed hoorbaar!